De Tekstexpress
voor teksten die lopen als een trein

We waren met zijn zessen en dronken thee. Er werd gekletst over van alles en ik dwaalde weer eens af. Ik dacht aan een Middeleeuwse film, gebaseerd op waargebeurde feiten. Een moeder met een ziek dochtertje. Zij waste het kind met kruiden en weigerde haar naar de priester te brengen. Zij geloofde in de kracht van de natuur en liefde van zichzelf. Ze werd voor heks aangezien en onderging de weegtest. Zij links, bijbel rechts. Ze woog meer als de bijbel en werd levend verbrand. Haar zieke dochtertje kreeg de drijfproef. Ze werd aan haar armpjes en beentjes bij elkaar gebonden en in het water gegooid. Als ze zou blijven drijven was ze een heks. Ze zonk en verdronk, onschuldig maar dood.
Een vriendin verkondigde opeens luid dat zij ging trouwen in de kerk. ‘Maar je gelooft helemaal niet?’ vroeg een ander. “Dat vind ik gewoon mooi en dat zo’n priester dan wat loze woorden mompelt, neem ik voor lief.” Ze moest weer verder regelen. Ze was de hoek nog niet om of de ongezouten meningen werden verdeeld. Hypocriet, oneerlijk, nep. Ik roerde wat in mijn verse muntthee en keek dromerig hoe de blaadjes in de kolk dansten. Ik kreeg een elleboog en schrok wakker. Mijn mening? “Als zij daar gelukkig van wordt, wie ben ik dan om daar over te oordelen?” Ik werd beledigd aangekeken. “Jij hebt geen geloof, dat telt niet.” Wacht! Omdat ik niet in een God geloof, telt mijn mening niet? “Ik heb wel een geloof!” Ze gniffelden. “Ik ben een heks,” zei ik met een genoegzaam glimlachje. Ze schaterden van het lachen. Ik keek bloedserieus. Ze stopten en keken angstig. ‘Predik je daarom steeds zout en ui bij elk verkoudheidje? Zeg je bij het zien van een uil dat er een wijs besluit aankomt? En droom je daarom altijd zo weg als je in je thee roert? Zie je nu iets trouwens?” Ik kan mijn lach amper inhouden terwijl ik de muntblaadjes laat dartelen. Ik trek mijn wenkbrauwen verbaasd op en ze vallen bijna met hun neus in de thee van nieuwsgierigheid. “Ik zie een stel oordelende vrouwen die een stuk gelukkiger zouden zijn wanneer ze de ander alles gunnen wat ze zichzelf ook gunnen!”


‘Van wie ben jij er eentje?’ Een heerlijke vraag.

Ik ben de kleindochter van de kolenboer. Wanneer ik
dat in Boxmeer zeg weet iedereen wie ik bedoel, ook al heb ik hem zelf nooit
gekend. Mijn vader en ooms zijn opgegroeid tussen de kolen en zagen als kleine
jongens hun toekomst als kolenboer al uitgestippeld. Maar de kolenboeren
verdwenen in die tijd, samen met de mijnwerkers. Dat waren van die beroepen die
bij wijze van spreken al in je wiegje stonden gegraveerd, je werd er voor
geboren. Je opa deed het, je vader deed het, dus jij wilde ook naar beneden die
mijn in. Ik denk, dat er nog weinig beroepen zijn die echt in je genen lijken
te zitten. Nou ... de scheepsbouwers. Scheepsbouwer zijn is geen beroep, maar
een identiteit. Het wordt op jonge leeftijd vastgesteld. Meestal bij de eerste
tewaterlating van een boot. Geen lullig sloepje, maar zo’n bakbeest van
minstens 100 meter lang. Waarbij je met grote ogen vol ongeloof blijft staren,
niet begrijpend dat een dergelijk kolossaal gevaarte kan blijven drijven. Daar
wil je meer van weten en dat gebeurt! Je opa geeft antwoord op al je vragen, je
vader vertelt je over die ene keer dat de champagnefles niet brak en het schip
daadwerkelijk zonk. Je oom nam je stiekem mee en liet je het geraamte voelen.
Je wordt betoverd, besmet met het scheepsbouwvirus. Je kunt niets anders meer
worden, want je bent het al. Dus je begint na je studie met je eerste schip. Je
zult het gevoel van trots nooit meer vergeten wanneer jouw eerste schip de
haven uit vaart. Telkens wanneer je een van je schepen ziet varen voel je weer
hoe diep van binnen die liefde zit. Het is iets wat je tot je pensioen elke dag
fluitend zult willen doen.

Wanneer de scheepswerf in Grave 'op slot' gaat
verliezen zestig mannen hun baan. Maar dat niet alleen, zestig scheepbouwers
verliezen hun identiteit. Vele jaren later zullen aan hun kleinzonen de vraag
worden gesteld; ‘Van wie ben jij er eentje?’ Hun antwoord is simpel: ‘Mijn opa
was een van de laatste zestig scheepbouwers van Grave.’ We weten dan direct wie
ze bedoelen. Een schrale zilte troost ...

 



Ik vind kippen ongelooflijk domme beesten, maar wel lekker.
De kinderen eten graag kippenpootjes, kipfilet of gewokte kip.
Ik koop gewoon wat er het lekkerste uitziet of het nou vrije uitloop-, scharrel-
of legbatterijkip is.
Het zal mij een ‘worst’ wezen of die kip gescharreld heeft, als hij maar smaakt.
Tot ik hoorde van de plofkip, een kuikentje van 50 gram wat in 6 weken tijd wordt vetgemest
tot vleeshomp van ruim 2,2 kilo.
Die moddervette kuikens kunnen amper meer lopen. Ze strompelen in hun eigen stront,
volgepompt met antibiotica en hun poten en borst zitten onder de zweren.
Dat vind ik niet zielig, het zijn tenslotte ‘drumsticks in wording’, maar wel
smerig.
Ik denk aan mijn vader in Frankrijk en zijn fruitgaard. Daar pluk je de mooiste appels en pruimen zo van de bomen.
Dan weet je weer hoe fruit behoort te smaken! Gegroeid in eigen tempo en op eigen kracht.
Zou een kip dan ook beter smaken? Dus ik ging met de kids langs de Boerenbond en kocht zo’n onnozel geel bolletje.
Sindsdien wandelt ‘Tokkie’ door onze tuin. ’s Morgens zit ze voor het raam en kijkt met die lelijke kraaloogjes naar me tot ik het voer pak.
Als ik wat in de tuin rommel sjokt het vrolijk achter me aan.
Het ding maakt vreemde geluidjes. Ik zeg: “We zouden jou beter ‘Pwooooak’ kunnen noemen” en
aai haar veertjes die verrassend zacht aanvoelen. Ik bedenk hoe ik Tokkie precies zal klaarmaken. Ik schenk mezelf een wijntje in en blader door een
kookboek, ondertussen ligt ‘Tokkie Pwooooak’ op mijn schoot.
“Gevulde kip”, mompel ik en SMS mijn man dat we vanavond het verschil zullen proeven.
Ik pak een vleesbijl en op het moment suprême maakt ze een kakelend geluid en legt
haar eerste ei. Een tijdje later komt mijn man thuis en zitten we aan tafel. “Zal mij benieuwen”, zegt manlief.
Ik til de deksel van de pan: “Mediteraanse omelet! Kijk eens hoe geel dat eigeel is.” Tokkie zit op het raamkozijn met
opgetrokken snavelhoekjes. ‘We hebben afgesproken, dat ze elke dag een ei gaat leggen.’ Mijn man lacht me uit.
“Ik vind eieren gewoon lekkerder. Bovendien is Tokkie vast taai, overscharreld!”



Soms lees ik een titel van een artikel en neemt mijn
fantasie het over. ‘De Nederlandse huisvrouw verdwijnt.’ Ik krijg direct een
soort Thelma and Louise-achtige taferelen in mijn hoofd. Twee vrouwen die er
vandoor gaan. Niet om de moord die zij pleegden, maar om het feit dat ze de
afwas beu zijn. Ik begin te lezen. Er zijn steeds minder huisvrouwen om twee
redenen. De eerste is simpel, er werken steeds meer vrouwen. Van de tweede
krijg ik jeuk. De huisvrouwen die nog bestaan noemen zichzelf thuisblijfvrouw,
zorgmoeder of thuismanager. Thuisblijfvrouw? Alsof je van je man niet weg mag.
Zorgmoeder? Alsof je overloopt van de zorgen. Thuismanager? Dat is hetzelfde
als een stratenmaker een trottoir-manager noemen. Een prima beroep een chiquere
naam geven. Het feit, dat de huisvrouw uitsterft heeft te maken met twee
invloeden. Ofwel vrouwen kunnen het niet, ofwel vrouwen vinden het
onbelangrijk. Kan ik het niet? Als ik de ramen zeem hou ik steevast meer
strepen over als vlekken die er op stonden en als ik de was doe verdwijnen er
meer sokken dan ik er in deed. Eerste klopt. Vind ik het onbelangrijk? Tja, ik
kan prima afdrogen met een gekreukelde theedoek en speel liever met mijn meiden
en hun barbies dan dat ik ze hysterisch wegmoffel omdat er toevallig bezoek zou
kunnen aanbellen. In ons huis wordt geleefd en dat mag gezien worden. Dus de
tweede klopt ook. Dit betekend absoluut niet dat ik geen groot respect heb voor
de bestaande huisvrouw. Als ik mijn kinderen ophaal van een speeldate vraag ik
me regelmatig af hoe ze dat doen? Een glimmende vloer, keurig opgeruimd
aanrecht, geurend diner op het fornuis en mijn kleine terrorist die keurig op
de bank zit. “De mama van mijn vriendje vroeg wat jij voor werk deed? Ik zei
mama is een krant.” Ik verslik me bijna. “Zijn mama is thuismanager. Dan heb je
altijd een schoon huis, lekker eten en sokken die bij elkaar horen.” Ik voel
aankomen dat ze gaat zeggen dat ik alles kan worden wat ik wil. “Mama?” ze
kijkt me lief met haar grote poppenogen aan. Ik beloof direct plechtig elke dag
te schrobben. “Ik vind twee verschillende sokken veel leuker!”


Reageren of huishoudtips? Column.eefke@gmail.com


Ik wandel met de hond naar huis en hoor ze al halverwege de
straat, mijn man en zijn zoon. Het klinkt als een fikse ruzie, met verwijten en
geschreeuw, maar ineens hoor ik muziek.

Ik open de voordeur. Ze staan allebei met telefoon, volume voluit, gesloten
ogen, hard mee te zingen. De ene zingt: ‘Hand in hand’. De andere: ‘Voor
rood-wit gezongen’. Ik leun tegen de deurpost en geniet. Een meter 97 en een
meter 85, knakenvals, maar vol emotie zingen ze tegen elkaar in. Voetbal verandert
mannen in kleine jongetjes. Wanneer ze uitgezongen zijn zien ze mij. “Wat is toch
die clubliefde?” vraag ik. Zoonlief: “Ik ben serieus gaan kijken toen ik vier
was. Welke club was toen het beste? Is nog steeds de beste? PSV, dus! Meeste
prijzen, meeste titels, simpelweg de beste”, glimlacht hij breed. Ik kijk naar
mijn man. Bloedserieus, dromerige blik en kippenvel op de armen. “Feyenoord zit
in je hart en je ziel. Het stroomt door je aderen.” Ik denk aan mijn vader en
spreek: “Hier ligt mijn hart, mijn vreugde, mijn verdriet, het kan dooien, het
kan vriezen, we kunnen winnen of verliezen, maar een betere club als deze is er
niet.” Ze kijken elkaar zuur aan en schudden hun hoofd. “AJAX? Dan nog liever zijn
club”, zeggen ze in koor, naar elkaar wijzend. Ik denk aan mijn vader en dat
hij het prachtig vond als ik zei dat ik Ruud Gullit leuk vond om naar te
kijken, ook al was dat niet ‘zijn’ voetballer. “Je hebt er wel oog voor
kleintje”, zei hij dan. Maar ik vond eigenlijk zijn haren gewoon altijd zo prachtig
dansen. Jongens kiezen een voetballer als voorbeeld, zoals meisjes een prinsesje.
Mijn vriendinnen hadden allemaal Assepoester, maar de mijne was de kleine
zeemeermin omdat zij ook rood haar had, maar vooral omdat zij de prins redde in
plaats van andersom. Terwijl we blijven doorpraten over clubliefde en grote voorbeelden
kijken we een stukje FC Barcelona. Opeens zijn we stil, muisstil. Messi is aan
de bal. Discussies zijn zinloos. Zelfs ons kleutermeisje laat Barbie vallen en
kijkt ademloos. Messi betovert op magische wijze iedereen in voetbalfanaten. We
zuchten en knikken. Voetbal verbroedert.



Ik zat op een terrasje met een vriendin de
zomertijd te vieren. “Heerlijk hè, dat uurtje langer licht?” Een oud zuur stel
keek ons aan. “Jullie zijn zeker van na 1977?” mopperden ze. We knikten
liefjes. “Nou wij draaien al wat jaartjes langer mee, in onze tijd had je nog
geen zomer- en wintertijd. Ooit bedoeld als energiebesparing, maar het levert
nog maar 0,03 % bezuiniging op! Nutteloos, bovendien ontregelt het onze
biologische klok.” Vervolgens ging het stel alle kwaaltjes van bevriende
kennissen benoemen, depressies, vermoeidheid en zelfs hartfalen. “En we moeten om
zes uur eten, terwijl we nog helemaal geen honger hebben. En slapen wanneer we
nog niet moe zijn. En wat denk je van de boeren? De koeien moeten wakker
gemaakt worden om gemolken te kunnen worden! Allemaal voor dat uurtje langer
licht voor jullie?” Zwaar beledigd en ontdaan vertrokken ze. “Goh, je kunt ook
eten wanneer je honger hebt, slapen als je moe bent en de koeien melken als ze
loeien, toch? Zomertijd afschaffen, waarom niet de tijd op zich, lekker geen
werkdruk?” We hoorden een kwallerig, aardappellachje opstijgen van de tafel
naast ons. “Tijd bestaat niet dames, enkel beweging. Volgens Einsteins relativiteitstheorie
bestaat de tijd uit drie ruimtedimensies. Om je positie te bepalen meet je
lengte, breedte, hoogte en tijdstip. Hoe sneller je in een ruimte beweegt, hoe
langzamer de tijd verloopt. Snap je?” Ik schudde én knikte mijn hoofd. De
kakker lachte zelfgenoegzaam. “Wijfie toch, de beroemde tweelingparadox, beweeg
je zo snel als het licht dan staat de tijd stil?” Wijfie, wijfie? Ik keek bewust
onnozel en bedacht een antwoord om hem weg te jagen. “Luister, wij zijn zojuist
vanuit een wormhole gekropen en hier op terras gaan zitten. Je weet wel, die
zones waarin je door de tijd kunnen reizen en die nodig zijn om Einsteins
theorie in stand te houden? Nu laat je ons lekker de zomertijd vieren en anders
duw ik je hoogstpersoonlijk dat gat in. Capiche knulletje?”

Hij haalde zijn lichtelijk verbrande neus op en nam zijn martini mee zorgvuldig
ondersteund door een servetje. We proostten op onszelf en bleven zitten lang nadat
de zon ons verlaten had. Hoe laat het was? Gewoon, tijd om te gaan.




Veel boekwinkels dreigen te verdwijnen.
Kleintjes moeten noodgedwongen hun deuren sluiten, maar ook grote ketens als
Selexyz lopen gevaar. Waarom? In deze tijd van aanhoudende crisis worden boeken
gezien als een luxeproduct. Je download gewoon een gratis e-book voor op je
tablet. Ik zie mezelf al zitten op het strand. Een e-book proberen te lezen, de
zon die op je beeldscherm weerkaatst, rennende kinderen die zand over je scherm
gooien en zonnebrandcrème vingers die het apparaat onbedoeld invetten.

Nee, geef mij maar de papieren versie. Ik vond ooit in een hotel op het
nachtkastje een boek. Vol met ezelsoren, omcirkelde woorden en zelfs
aantekeningen aan de zijkant. Het boek was op zichzelf al spannend, maar omdat
de eigenaar hiervan duidelijk midden in het verhaal zat werd het nog
spannender. Het bracht me op een idee. Waarom kopen we niet allemaal een boek?
Lezen het uit en geven het aan iemand anders. Niet aan een lieve vriendin, maar
juist aan een volslagen vreemde.

Stel je voor. Je ligt op het strand en hebt net je vreselijk hartstochtelijke
keukenromannetje uit over de romantische Enrico en kijkt om je heen. Een
vrolijk gezinnetje, een man alleen, o wacht daar zie je de nieuwe eigenaresse.
Ze probeert wanhopig haar eigen rug in te smeren terwijl de vent naast haar,
geheel onopvallend, met open mond naar de gebruinde topless dame voor hen
staart. Dan loop je naar de vrouw in kwestie en geeft haar het boek. Maar dat
is niet het enige wat je haar geeft, je geeft haar ook een fantasie. Want dat
is het mooie van boeken, ze laten je fantaseren. Niet alleen keukenromannetjes,
waarbij je juist meestal zelf weinig aan fantaseren hoeft te doen. Maar
spannende detectives, humoristische waargebeurde verhalen, zenuwslopende
thrillers, ze voeden je gedachtes. Ik ga deze week een boek kopen en bij de
eerst volgende terrasmogelijkheid lees ik de laatste pagina’s en geef het aan
iemand die het volgens mij kan gebruiken. Lekker vol ezelsoren en aantekeningen
die je nog meer aan het denken zetten. Eerst een goed boek zoeken. Dat wordt
snuffelen in de boekhandel. Doet u mee? Het is tenslotte boekenweek! Gun jezelf
die spannende ontspanning en geef het door! Want wat je geeft, krijg je terug!




“Eef kom je ook? Ik organiseer nu toch een leuke
party!” Zucht. “Nee, ik heb al genoeg tupperware, make-up en lingerie om
fluitend minstens 83 te worden.” Ik begreep het weer eens verkeerd. Dit was zóóóóó
anders er werd je zelfs niets aangesmeerd. Op mijn vraag of ik dan met lege
handen naar huis ging, werd bulderend gelachen. “Nee, absoluut niet! Je gaat
naar huis met het mooiste wat het leven te bieden heeft, ” sprak mijn vriendin poëtisch.
Aangezien de Chippendales zover ik weet nog steeds geen privé-party’s geven,
nam ik aan dat het om chocolade ging. Maar nee, ik zou naar huis gaan met
nieuwe inzichten. Voor ik nee kon zeggen had ik alweer ja gezegd. Ik zuchtte
een keer diep, taste nog dieper in mijn portemonnee en ging op weg naar nieuwe
inzichten. Onze lifecoach legde ons uit dat we heus niet ons lief en leed op
mijn vriendin haar salontafel hoefde te kwakken maar jezelf open stellen was
wel de bedoeling. Ik had mezelf beloofd het op zijn minst serieus te nemen. Dus
terwijl mijn vriendinnen en ik boven onze tijdlijn steeds hoger en hoger
vlogen, af en toe een duik namen in ons verleden, deed ik mijn uiterste best
niet ondertussen te bedenken wat ik nog aan boodschappen moest halen. En
terwijl de over-opgewekte lifecoach ons vertelde over het herprogrammeren van
je gevoelen, zodat je ongewenste negatieve emoties kon deleten, vocht ik intens
tegen mijn bitterballendrang en het feit dat ik inmiddels wel een rosétje kon
gebruiken. Vervolgens gingen we over tot onze struikelblokken. Een vriendin was
vurig op zoek naar haar droomprins. Wij mochten haar inzichten verschaffen.
“Misschien stond hij laatst wel voor je neus”, giechelde er een. “Misschien
moet je stoppen met zoeken en vindt hij jou?” De lifecoach knikte goedkeurend
en keek mij aan. “Misschien moet je een keer fatsoenlijk in de spiegel kijken,
die belachelijk hoge eisenlijst afschaffen en beseffen dat droomprinsen enkel
in sprookjes bestaan,” zei ik nuchter. Met de mededeling dat ik de positieve
inzichtenspiraal doorbrak werd ik vriendelijk de deur gewezen. “Jammer dat je
geen inzicht kon krijgen, Eef.” Deur dicht. Mis. Ik had een prima inzicht.
Psycheparty’s zijn ab-so-luut niet aan mij besteed!






Morgen, woensdag 29 februari, is het schrikkeldag. Deze dag bestaat al
sinds 237 voor Christus. In veel culturen wordt deze dag echt gevierd. Dan mag
je 24 uur lang dingen doen die je anders nooit doet. Zo mogen vrouwen mannen mee
uit nemen en hen zelfs ten huwelijk vragen. Maar goed, dat mag hier het hele
jaar door, niet zo bijzonder dus. Toch vind ik het wel een leuk principe om de
rollen eens om te draaien. Laten we allemaal vrij nemen en er een nationale
omruildag van maken. We vullen het in als de ideale zondag. Dus mannen allemaal
heerlijk ‘s morgens douchen met schuimende rozenextract scrubgel en daarna
uitgebreid insmeren met exotisch geurende bodylotion. Vervolgens de nageltjes
vijlen en een lakje zetten. Dan snel de kinderen onder de douche doortrekken,
netjes aankleden en haren vlechten, vervolgens een uitmuntend ontbijt in elkaar
draaien voor het thuisfront. Iedereen vaarwel kussen, maar pas nadat je de
zelfgemaakte lasagne aanwijst in de koelkast en de oveninstructies hebt
uitgelegd. Dan een gezellige High Tea met je vrienden. Even niet praten over voetbal
en auto’s, maar puur over sex. Want ja heren, daar hebben wij het over, heus
niet over de nieuwste afslankrage of die kekke punnikpaddenstoel. Dan even
gezellig winkelen op zoek naar het juiste paar schoenen. Heerlijk 37
verschillende winkels afgaan om vervolgens terug te komen bij de eerste winkel.
Want daar werd je toch echt smoorverliefd op dat ene juiste paar. Dan relaxed
terugslenteren en discussiëren met je vrienden waar jullie toch zullen
afsluiten. Na een half uur, ‘nee, kies jij maar’ wordt het toch weer tapas met
prosecco. Dan ga je uiteindelijk, uiteraard met kleinigheidje voor partner en
kids in je gloednieuwe, afgeprijsde, dus eigenlijk flink geld besparende nieuwe
handtas, met roze wangen heerlijk terug naar huis. Thuis vertel je uitgebreid
wat je allemaal gedaan en gezien hebt. Joh, je praat nog langer dan dat je feitelijk
weg bent geweest. Je gooit je vermoeide voetjes over je partner heen en doezelt
lekker weg. Heerlijk toch mannen?

En wij dames nemen dan met schrikkeldag de mannenrol over. Wij staan op,
ontbijten brengen de kinderen naar schoonmoeder en doen verder helemaal niks…






Een gewaarschuwd mens telt voor twee, zeggen ze. Wat is het toch met mij,
dat ik niet luister naar goed bedoelde adviezen en dreigende waarschuwingen? Is
het een probleem met gezag? Ik denk het zelf van niet. Ik denk, dat ik zo graag
het positieve van de mens wil zien, dat ik niet kan geloven, dat er echt mensen
zijn die gewoon een waardeloos karakter hebben. Mensen die opzettelijk anderen
pijn doen. Maar ja, die zijn er helaas wel. En dat heb ik nu zelf pijnlijk
ondervonden. En het ergste is, we hebben het niet eens door gehad. Het ging zo!
We hadden heerlijk carnaval gevierd en kwamen ’s ochtends in de vroege uurtjes
thuis. Volgens mij zijn we zelfs zingend in de polonaise de trap opgegaan, want
het was alweer bijna vroeg dag. Je kunt je voorstellen hoezeer we schrokken
toen we er bij het ontwaken langzaam achter kwamen dat er bij ons was
ingebroken! We waren nog wel zo gewaarschuwd. De inbraakcijfers met de carnaval
zijn hoog, de kranten stonden er vol mee. Ik heb de berichten ook heus wel gelezen,
maar gedacht dat het allemaal wel mee zou vallen. Het ergste is mijn moeder
belde zelfs nog om ons daar op te wijzen. En natuurlijk hadden we achteraf
gezien niet of Facebook en Twitter moeten zetten, dat we zo gezellig aan het
feesten waren. Stom, stom, stom, dat beseffen we nu. Maar goed, een aparte
inbraak was het wel. Sowieso vreemd genoeg helemaal geen inbraakschade. Dus
helaas geen verzekeringskwestie. Ze hebben al het geld en horecamunten uit onze
portemonnees gestolen. De knip zelf en creditcards vreemd genoeg niet. Verder
hebben ze mijn jas gestolen en al mijn kleine flesjes Flügel die ik in mijn
handtasje had. Maar het kan nog vreemder want mijn man mist zijn feestmuts en
een schoen. En als klap op de vuurpijl hebben ze blijkbaar ook nog ongegeneerd
shoarma zitten vreten. Want er stonden twee bordjes, wat zilverfolie,
knoflooksaus en twee halve biertjes op het aanrecht. Het gore lef! Zeg nou zelf
is dat vreemd of niet?

Dus nu zitten we hier aan de tafel te balen met een grote mok koffie en een nog
grotere kater!